Nederlands: Chinese woelmuis
Wetenschappelijk: Microtus fortis
Engels: Reed vole
Frans: Campagnol des Roseaux
Duits:
Schilf Wuhlmaus



Herkomst:

De Chinese woelmuis komt voor in Mongolië, Rusland en China. Ze leven daar in natte gebieden, zoals rietvelden/moerasachtige gebieden.

Ze leven in kleine groepjes en zijn schemer- en nachtactief.

Uiterlijk:

Lichaamslengte: 11-15 cm.
Staartlengte: 2 - 4 cm.
Gewicht: 25 – 70 gram.

Chinese woelmuizen hebben zijn veel groter dan de Rosse woelmuis.

De vacht is donkerbruin met een grijs - witte buik.

De Chinese woelmuis is een grote woelmuis, met een korte stompe kop, donkere snorharen, kleine zwarte ogen en kleine ronde oren.
Het lichaam is gedrongen met korte pootje en een kleine staart.

De haren op de rug en bovenkant kop zijn bruin en de buik is vaal grijs. De staart, oren en pootjes zijn helemaal behaard. Ze hebben zwarte nagels.



Gedrag:

De Chinese woelmuis is alleen actief in de schemer en in de nacht. Het zijn schuwe dieren, niet tam, bij gevaar bijten ze.
Ze graven erg graag, maar kunnen ook goed klauteren. Ze doen dit met name over takken heen die op de grond liggen. Verder kunnen ze ook kleine stukjes springen. Zeker bij angst of vluchten zul je dit zien.

Huisvesting:

De Chinese woelmuis heeft minimaal een verblijf nodig van 80-40-40 voor 3-4 dieren.

Het verblijf dient een ruime laag bodembedekking te bevatten, zodat de dieren wel kunnen schuilen.
Schuilhuisjes worden op prijs gesteld. Ook pvc buizen vinden ze geweldig of stukken boomschors waar ze zich in kunnen verschuilen.

De temperatuur mag niet onder de 10 graden komen en niet boven de 25 graden.

Voortplanting:

Geslachtsrijp: 6-8 weken.
Draagtijd: 22 - 24 dgn.
Aantal jongen: 4-6
Ogen open: 10-14 dgn.
Zoogtijd: 3 weken
Levensverwachting: 2 jaar.

Chinese woelmuizen planten zich makkelijk voort, ze krijgen 2-3 nestjes per jaar. Ze kunnen wel vaker jongen krijgen mits de omstandigheden goed zijn.

Na een draagtijd van 22-24 dagen worden er 4-6 naakte jongen geboren.

Ze zogen 3 weken, met 4-5 weken zijn ze helemaal zelfstandig.

Voeding:

In het wild eten ze bijna alleen maar groenvoer en af en toe een insect. Het darmstelsel is gewend aan natte voeding.

In gevangenschap kun je ze als basis knaagdierenvoer geven.
Aangevuld met veel groen natvoer, andijvie, sla, tomaat, paprika, chinese kool, spitskool enz. Bladgroente is heel belangrijk, geef je dit niet, dan zullen ze vrij snel sterven.

Er moet daarnaast altijd hooi aanwezig zijn en water, dit laatste is aan te bieden in een drinkfles. De dieren drinken ook erg veel, dus let er op dat er altijd water in de fles zit.